Suleyman komt op zijn dooie akkertje aanfietsen en besluit ter plekke stil te houden als hij me ziet. Hij gebruikt zijn fiets als klapstoel en positioneert zich achter mij. Ik knik even en schilder door. Suleyman zegt niets en blijft me nauwlettend observeren, dat wil zeggen, mijn schilderij en de achtergrond waar het op moet lijken. Na een kwartiertje vraagt hij: “Mag ik op de foto?”
Niet begrijpend kijk ik op. Op de foto met het schilderij? Maar dan valt het kwartje. Schilderij, foto, het zijn beide tweedimensionale projecties van de werkelijkheid. Suleyman wil op het schilderij. Dat heb ik eerder meegemaakt. “Natuurlijk.”
“Daar”, en hij wijst naar het bruggetje centraal in het schilderij. Suleyman weet precies waar ie wil staan. In het midden.
“Ga er maar naar toe”, zeg ik en hij fietst naar het bruggetje, zet zijn fiets neer en stelt zich op. Een hand aan de reling, andere in de broekzak, gewicht op één been, lichte knik met het hoofd en hopla: een klassieke contraposto. De man is een natuurtalent. Met drie zwarte streken leg ik de houding vast. Ik steek mijn duim omhoog en gemoedelijk loopt en fietst hij weer terug. “Wanneer is het klaar?”
Ik vertel hem dat hij aan het einde van de middag maar terug moet komen. Ik laat de figuur op de brug rusten en werk gestaag door aan de rest. Halverwege de middag zegt een passant; “mooi hoor, maar wat is die zwarte vlek in het midden?” De vlek is Suleyman natuurlijk, en ik ben hem helemaal vergeten. Hij staat verschrikkelijk zwart en pontificaal in het midden en verstoort de compositie. Er gaat een streep blauwe verf overheen en weg is Suleyman. Beter zo.
Als ik aan het einde van de middag mijn palet op wil ruimen zie ik Suleyman aan komen fietsen. Helemaal vergeten. Hij groet me zwijgzaam en kijkt naar het schilderij. Er is niets aan zijn gezicht af te lezen, maar ik zie zijn ogen over het schilderij speuren op zoek naar zichzelf. Ik verman mij. “Wat goed dat je er bent. Ik heb je nog even nodig als model. Zou je nog een keer op de brug kunnen staan?” Hij knikt – even meen ik een lichte opleving in zijn oogopslag te zien – en fietst rustig naar het bruggetje. “Nog een beetje doorlopen”, zeg ik als hij op zijn oude plek staat. Nogmaals zet ik hem erin, nu niet meer in het midden en met een beetje meer aandacht, maar niet opzichtig. Ik werk snel door en ben klaar als hij weer teruggereden is. “Wordt mooi”, zegt hij met een kennersblik. Hij blijft nog even staan en klimt dan weer op zijn fiets. Als hij wegrijdt roep ik hem na; “Hoe heet je eigenlijk?” Hij draait zijn hoofd om en schreeuwt met een toon van volstrekte vanzelfsprekendheid; “ik ben Suleyman!” Maar dat wist u natuurlijk al.

