Wien Neerlandsch bloed

IMG_0067

Bijna 120 jaar zongen we het uit volle borst: “Wien Neerlandsch bloed door d’aderen vloeit.” Vanaf het ontstaan van ons Koninkrijk (1815) werd het tot in de verste uithoeken van het Rijk gebrald op elke feestelijke gelegenheid, hoewel met minder enthousiasme in de koloniën. Dat had te maken met de tweede regel van het lied: “van vreemde smetten vrij.” Was toen al een dingetje. Veel Hollanders overzee konden die raszuivere toets namelijk helemaal niet doorstaan. Te lang in de kolonie, ingeburgerd, lokale vriendin (nooit andersom, mind you!) en dan blijft er van dat puur Neerlandsch bloed niet zoveel over. In Indonesië zongen ze daarom de politiek correcte versie: “wien ’t hart klopt fier en vrij.” Dat kon dan weer wel, maar een groot succes is het nooit geworden op de Nederlandsche residentie in Buitenzorg.

Ik weet niet of de machtswisseling in 1933 bij onze oosterburen er aandeel in had, maar vanaf dat jaar was het over met de pret. We gingen weer terug op het Wilhelmus. Zongen we al tijdens de revolutie en dat doen we dus nu nog steeds. Fijn Calvinistisch lied. Niks Hup Holland Hup. Het is Duits bloed en vorsten uit Spanje. En ok, ook God, want die is overal (maar bij het Wilhelmus pas in couplet twee). Het is een rampzalig lied. En met al die medailles in Rio moet ik dat bijna elke avond horen.

“Hoe verbeeld je Nederland?”, vroeg ik mij een paar weken geleden af. En omdat ik in Amersfoort aan het schilderen ben, heb ik daar een pandje bij gezocht. Ik wilde eens geen multiculti woninkje of een stadhuis met alle vlaggen van de wereld. Ik wilde terug naar het Nederland van mijn oma. Noem het nostalgie. Maar met een blik op deze tijd. Ik kwam uit bij een laat middeleeuwse gevel in Muurhuizen, een van de mooiste straatjes annex stadswal in Amersfoort. Zie daar; een wit huis, met rode luiken tegen een blauwe hemel. Prachtig symboliek van onze nationale driekleur. De toon lijkt gezet.

De façade is wel wit, maar erachter zijn de uit baksteen opgetrokken muren te ontwaren. De helwitte zijkant geeft de woning iets van vergane glorie. Dat helder licht is achter je en schijnt je na, de voorzijde staat in de schaduw. De ijzeren zwarte spijken hangen scheef aan de muur. De rode luiken hangen uit het lood en onder de strakblauwe hemel stapelen de wolken zich op. Het pand is niet vrij, maar staat ingeklemd tussen andere woningen. En voor de ramen geen begonia’s, maar een zwarte buis met sprieten, zodat de duiven er niet op kunnen zitten. Of poepen.

En toch. Het staat er al eeuwen in weer en wind, al lang voordat wij het Wilhelmus hadden bedacht. Fier heft het zijn oude kop, die ook nu de dreigende regenbuien zal trotseren. Laat maar komen. Likje verf erop en het kan weer jaren mee. En die onzinnige Wilhelmus uitbarstingen rond Rio overleeft het ook wel weer.