Indianenverhalen

dsc01381

Ik ben in Cholchol, een dorpje in het hart van het Chileense Indianengebied. In het talud van de hoofdstraat zitten een paar kooplui hun waar te verkopen. Berustend. Er is weinig te doen. Mensen die langslopen maken een praatje. Waarschijnlijk kennen ze elkaar sinds mensenheugenis. Het is zo’n marktje dat fungeert als café, waarbij tijdens de dagelijkse roddel terloops nog een sinaasappel of kledingstuk van eigenaar verwisselt.

Aan de rand van de markt staan vier vervallen gebouwtjes. Museo staat op het bord. Een van de hutjes blijkt nog open te zijn ook. Ik ga naar binnen en ben de enige bezoeker. In de hoek zit een Indiaanse mevrouw. Ik teken het register en dwaal door het piepkleine zaaltje. Binnen fladdert gestrest een mus tegen het raam. Buiten wacht zijn maatje. Ze vliegen de hele tijd heen en weer en lijken elkaar telkens te vinden. Maar die ramen zitten er steeds tussen.

De Mapuche-indianen kennen een roemrucht verleden. Terwijl heel Latijns-Amerika door de Spanjaarden en Portugezen onder de voet werd gelopen, hield deze stam de kolonisator op afstand. Ik weet niet of er wonderdrank aan te pas kwam, maar het laat zich lezen als het verhaal van Asterix en Obelix in Chili. Pas in 1880 werden ze door het leger verslagen. Toverdrank op. Chili verdubbelde daarmee zijn oppervlakte, maar had veel te weinig mensen om het te koloniseren. Dat verklaart de grote instroom van Duitsers en Kroaten, die wel een groot rijk hadden, maar weer geen kolonies. Ze werden door de Chileense regering uitgenodigd om het land te cultiveren en dat gebeurde met Germaanse grondigheid. Nu zitten de Indianen fruit te verkopen op het talud.

In het museum is het verleden van de Mapuche indianen aandoenlijk uitgestald. Net als wij hadden ze vroeger potten en pannen, weefgetouwen en zelfs een ijzeren strijkijzer. Alles ligt onder een dikke laag stof. Er hangen een paar vergeelde foto’s aan de muur met indianen in klederdracht, genomen in 1923 door studenten van een school uit Santiago. Mijn oog valt op een oude prent van een heroïsch strijdtafereel, waarbij de indianen gehakt maken van de Chileense troepen. Dat was in 1868 en het zou hun laatste overwinning zijn. Er is geen standbeeld van gemaakt (in de hoofdstraat staat het beeld van een Chileense generaal), maar deze verfomfaaide poster zet toch maar even de geschiedenis in een ander perspectief.

Ik loop nog een tweede rondje door de kamer, want ik vind het zielig voor de Indiaanse mevrouw om het ‘museum’ na een kwartier alweer te verlaten. Mijn laatste blik door de zaal laat ik op haar rusten en we knikken vriendelijk. Als ik de deur sluit vliegt het musje nog steeds in paniek van raam tot raam. Ik voel een kleine steek in mijn hart. Ja vogeltje, om ergens te komen moet je de deur weten te vinden.