Tussen Concepcion en Constitucion liggen enkele van de mooiste stranden van Chili. Het is een bergachtig gebied en je kunt er alleen komen via modderweggetjes, wat met de regenbuien van vandaag een hele uitdaging is. Je rijdt eerst door bossen en alles ruikt naar hout en eucalyptus. Aan het einde van de rit botst de oceaan tegen je aan. Die is groot. Bij oceanen stel ik me altijd iets vrouwelijks voor, met palmbomen en hangmatten en een zon die zoet ondergaat achter de horizon. Maar dit uitzicht is mannelijk. De zee is koud groenig van kleur, het landschap is ruig en bezaaid met dennenbomen en eucalyptus. De branding levert een bittere strijd met het strand, dat zwart van kleur is of soms alleen uit stenen bestaat. Alles om mij heen is immens en overweldigend en geeft mij een idee van nietigheid. Het is een overdonderende ervaring, nog versterkt door het ontbreken van een menselijke hand. Ik snap die Duitse romantici wel, die helemaal uit hun bol gingen in de Alpen en daar uber-kitsch schilderijen van maakten, zoals Caspar David Friedrich. Hoe in godsnaam kun je al dat natuurgeweld vangen in een schilderij? Ik doe een paar schetsen, maar kom uiteindelijk niet verder dan een dikke lijn als horizon. De rest doet in wezen afbreuk. Het is een vette lijn, maar geen streep door de rekening.
Over die menselijke hand: die bomen zijn niet origineel, maar aangelegd door Celulosa Arauco, het bedrijf waarvoor ik ooit in Chili heb gewerkt. Hele loofwouden zijn eerst gekapt en vervolgens vervangen door bomen die sneller groeien. Dennebos en eucalyptus. Dit alles tot groot verdriet van de Mapuche indianen, die niet alleen hun heilige bomen kwijt waren, maar vaak ook hun dorp, omdat ze ingesloten werden door de nieuwe bossen en hun land niet meer mochten verlaten. Weggaan was de enige mogelijkheid. Kijkend naar de prachtige bossen – die binnenkort weer gekapt gaan worden – bedenk ik me dat toch iemand de rekening heeft moeten betalen.

