“Bent U ook beroemd?” Ik moet ontkennend antwoorden en zie het jochie een lichte teleurstelling verbijten. Heb ik weer, moet hij denken, zie ik eindelijk een schilder in een weiland staan, is ie niet beroemd.
Ik sta te schilderen op een plek waar stad en land elkaar raken. Aan de rechterkant de buitenste huizenrij van de wijk Vathorst in Amersfoort, links het zich terugtrekkende polderlandschap. Je kunt er verschillende dingen in zien: een geografische strijd op leven en dood, waarbij de blokkendozen hun middelvinger opsteken naar de polder of juist een idyllische scene waarbij stad en platteland elkaar kussen in het riviertje. Zelf ben ik er nog niet helemaal uit. Ik zie wel veel blije mensen op fietsen. Dat kan van het fietsen komen, of doordat mensen in Amersfoort altijd blij kijken, maar zelf denk ik dat de beleving van de natuur zo pal langs de stad ermee te maken heeft.
Het jongetje – dat ik hier gisteren ook al tegenkwam – wil op het schilderij vereeuwigd worden. Hij had al bedacht dat als hij rechts op het sluisje staat, ik hem er dan precies in het hoekje erbij kan schilderen. Zijn vriendje wou dat onmiddellijk ook, maar die is er vandaag niet bij. “Hij moet vroeg eten, maar ik nog niet” , zegt het jongetje, in de wetenschap dat het blinde pech, zo’n vroegkokende moeder. Nu loopt hij de kans op vereeuwiging mis. Het jochie loopt met veel misbaar en gevoel voor drama naar het sluisje. Zo weet hij zeker dat ik hem zal opmerken. “Ik ben klaar hoor!” Hij blijft bewegingloos staan, want hij weet dat modellen dat doen. Dat houdt hij een minuut vol. Dan drentelt hij terug naar zijn fietsje en verdwijnt voor even.
Aan het einde van de middag is ie alweer terug. Met kennersblik schouwt hij mijn schilderij.
“Ik sta er niet op”. Het is meer een constatering dan een teleurstelling. “En het hekje moet ook nog ingetekend worden”.
“Ja”, zeg ik, “maar dat is nog een heel werk, dat gaat me vandaag niet meer lukken”.
“Dat geeft niet hoor, meneer. Kunst mag best onaf zijn”.
Hij zegt het werkelijk, als om me te troosten. Ik staar hem zwijgend aan. “Hou oud ben jij eigenlijk?”, vraag ik het joch. “Zeven jaar, meneer. En ik ga nu naar groep vier. Maar dat komt omdat ik groep 1 twee keer moest doen. “
Hoe zit dat toch in dit leven? Zeven jaar, welopgevoed, briljante visie op de kunst en gewoon zitten gebleven.
“Ik vind je een hele slimme jongen”. Wij kunstenaars moeten elkaar steunen en troosten. Hij knikt bevestigend.
“En nu ga ik naar huis. Ik ben honger. Dag meneer, tot morgen he?”
Ik was niet van plan terug te komen, maar misschien doe ik het speciaal voor hem. Om hem te vereeuwigen op het sluisje.

