Ze begonnen er een decennium geleden mee in Rotterdam. Daar werd altijd al veel gebouwd, maar ineens verschenen daar op een kluitje flatgebouwen, bruggen en andere architectonische obstakels van meer dan tien verdiepingen. En dat sprak zo tot de verbeelding, dat de Kop van Zuid een nieuwe naam kreeg: Manhattan aan de Maas. Hoogmoed op zijn Hollands.
Konden wij natuurlijk niet achterblijven hier in Amsterdam. Want als er moet worden opgeschept – opgestapeld in dit geval – dan kunnen wij die havenarbeiders nog wel wat leren. Dus wij ook bouwen. Eerst de Rembrandttoren, toen de Delta Lloyd en tenslotte Philips. De gloeilampenfabrikant bouwde niet zo hoog (ach, hij kwam helemaal uit Eindhoven, neem het hem kwalijk), maar wel heel trefzeker. Het groeide uit tot een bont samenraapsel van middelhoge gebouwen in een verder vlakke wijk. Mooi, indrukwekkend bij nacht, maar een Manhattan aan de Amstel werd het niet. Te klein, te ingesloten. Geen Erasmusbrug.
Afgelopen, dacht ik toen. En een aantal jaren gebeurde er ook niets. Maar toen kwamen wij. De pioniers van het Amstelkwartier. We bouwen niet zo hoog, maar wel heel kenschetsend en vooral ook veel en hard. Van de weeromstuit zijn ze bij het Amstelstation ook weer aan het timmeren geslagen. Binnen een jaar moet daar de Amsteltoren staan. Gewoon doorgaan dus. Dat getuigt van moed. Hoogmoed voor mijn part.
Ik verheug me op de dag dat de bouwkranen zijn verdwenen. Dat we kunnen zien wat er is gemaakt. En dat het goed is. Misschien geen Manhattan, maar ook geen Kop van Zuid. En lekker wel in Amsterdam.

