Ik en mijn Byd

img_0081

 

In Nederland ben ik de trotse bezitter van de lelijkste auto die voor geld te koop is – ik rijd lachend Dacia – maar als ik ooit om een andere auto verlegen zit, schaf ik mij een Byd aan. Ik had er nog nooit van gehoord en ik heb geen idee waar die vandaan komt, maar rijden in een Byd is een heus avontuur. Om je een idee te geven: er past anderhalve Byd in een Smart auto, er staat 180 op de snelheidsmeter, 9000 rpm op de toerenteller en de motor maakt een geluid alsof het een Rolls Royce is. Van buiten lijkt het op de auto van Mickey Mouse, binnen zit je in de cockpit van een F-16. En…. je start de auto door op het knopje “start” te drukken. Ganz automatisch. Heb ik niet in mijn Dacia.

Ik rij mijn Byd – of beter, de Byd rijdt mij – in Curaçao en samen gaan we dus niet harder dan 80 km. Dat is het droeve lot van een F-16 in een cartoon auto, gevangen op een tropisch eiland. Er zijn wel meer weggebruikers die daar last van hebben. Curaçao telt twee motorclubs. Eén groep rijdt op Japanse fietsen en die hebben allemaal hetzelfde T-shirt aan. De andere groep leunt achterover op een Harley Davidson en dat is ook stoer als je maar vijftig rijdt. Maar die Japanse groep heeft een probleem. Voorovergebogen op je Kawasaki en dan achter een Byd aan moeten rijden, dat is niet heel cool. Soms scheuren ze voorbij, maar dan zie ik ze later weer wachten bij hetzelfde stoplicht. Die paarse T-shirts zijn mooi, maar passen eigenlijk beter bij een surfboard dan bij een motor. Maar ja, je moet wat op een eiland.

En dan te bedenken dat er maar één weg is, van Westpunt naar Oostpunt. In Willemstad is er nog wel een grote rondweg rondom het Schottegat, met een hele hoge brug, waar cruiseschepen onderdoor kunnen. Die rondweg kun je trouwens in twee richtingen nemen. Dat geeft weer een paar kilometer extra rijplezier. Maar behelpen blijft het, motorrijden op Curaçao. Nee, geef mij maar een Byd.

Oliedom

img_0078

Tussen de uithangborden van de Macdonald en de Burger King wappert sinds kort een Chinese vlag. Achter de vlag staat de nieuwe ambassade. Die is zo groot en mooi, dat het best wel eens een presidentieel paleis zou kunnen zijn. Niet nu, maar zeg eens over een jaar of tien. Die vlag wappert daar niet zomaar. Chinezen zijn vooruitdenkende mensen.

In 1984 verkoopt Shell zijn raffinaderijen aan Curaçao voor het symbolische bedrag van 1 gulden. Dat lijkt een koopje en dat is het ook voor Shell, want voor een florijn kopen ze de verplichting af om hun rotzooi op te ruimen. Als je bedenkt dat ze al hun afgewerkte olie decennialang in een binnenmeertje hebben gedumpt, kun je je voorstellen dat het uitgraven daarvan aardig in de papieren gaat lopen. Shell vertrekt met de eerste boot, de Emmawijk – gebouwd voor het blanke kader – leeg achterlatend. Aan de positieve kant: ook het privéstrandje van de directeur komt vrij en wordt weer openbaar bezit. Het is een heel mooi strandje.

De boel wordt vervolgens geleased aan de staatsoliemaatschappij van Venezuela, maar dat zijn beroerde kapitalisten. Het gaat allemaal naar de ratsmodee. Installaties op halve kracht, zwaar achterstallig onderhoud en nog steeds een super vervuild binnenmeer. Maar het leasecontract loopt af in 2017 en dat geeft de regering van Curaçao lucht om eens te kijken naar andere opties. Curaçao als vakantieland of het eiland als ecoparadijs. Felle discussies in de kranten hier de afgelopen jaren. Hoopvolle vergezichten. En dan staat er ineens die vlag. Met die ambassade.

Deze week werd bekend dat de Chinese staatsoliemaatschappij het leasecontract gaat overnemen. En we weten, de Chinezen zijn super kapitalisten. Communisten kunnen dat. Dus dat komt helemaal goed met de winstgevendheid en werkgelegenheid op het eiland. Ze gaan 10 miljard dollar investeren. Hopelijk gaan ze het meer opruimen en ik denk dat het privéstrandje van de directeur ook wel openbaar bezit zal blijven. Iedereen happy.

Maar ik denk wel eens als ik afwisselend naar al die olievaten en de blauwe zee kijk; is Curaçao nu olierijk of oliedom?

Nummer 13

img_0076

“Die Joodse Israëliërs zijn erg brutaal.”

Op nummer 13 staat de oudste synagoge van de Nieuwe Wereld. Geloof hen niet, die waarheidsdraaiers, die zeggen dat ie in de VS staat! Hij staat hier bij ons. In Curaçao. Binnen sta ik te praten met de mevrouw van de balie. Ik ben de enige bezoeker en ze is blij met een beetje aanspraak. Mijn vraag naar de bezoekersaantallen is voor haar het startschot om d’r hart eens goed te luchten.

“Soms groeten ze niet eens. Laatst was er een echtpaar op bezoek. De vrouw vroeg verwijtend “Waarom hebben jullie geen mezouza aan de deurpost?””

“Mevrouw”, zeg ik, “het is hier een synagoge. Een mezouza hoort bij een huis waar gewoond wordt.”

“Wij hebben bij elk huis een mezouza.”

“ En wij alleen bij huizen waar gewoond wordt. Ziet u hier soms iemand slapen? En trouwens, wij hebben zand op de vloer van de snoa (zo wordt de sjoel hier genoemd). Zoals dat hoort. Heeft U soms zand op de vloer?” Dat kon de vrouw uit Israel niet beamen. “Nou dan, heeft U een mezouza, hebben wij zand.” Ik vond het een ijzersterk compromis.

“Ik vroeg nog aan dat echtpaar; “waarom doet U eigenlijk zo naar?” en toen zei de man: “omdat we altijd op onze tenen moeten lopen”.”

“Ik denk ook wel dat het leven hard is in Israel”, probeer ik.

“Dat is toch geen leven, daar in Israel? Altijd over je schouder moeten kijken.”

“Nee, dat is eigenlijk geen leven.” Dat lijkt me een mooie afsluiting. Maar nee.

“Nou, dat kan wel zijn, maar we zijn hier in Curaçao. Als je zo hard moet zijn in Israel, dan kun je toch wel gewoon doen als je ergens anders bent? Dat zeg ik tegen dat echtpaar en die man zegt: “Mevrouw, U heeft helemaal gelijk”. Maar die vrouw was nog steeds boos over de mezouza. Dat zag ik aan haar gezicht.”

We keuvelen nog wat verder en ik hoor verhalen over kleine schisma’s en grote reünies binnen de gemeenschap. Over voetbal en scholen. Over het dagelijks leven dat hier zwoel voorbijtrekt. Later loop ik de sjoel weer uit en kijk nog even achterom. Boven de deur staat onder een Hebreeuwse tekst het huisnummer 13. Dushi Dushi Korsou, denk ik, soms is nummer 13 gewoon een geluksgetal.

 

 

 

Frikandel Beach

img_0075

De Daaibooi Baai is een baaitje uit het boekje. Alles klopt. Alleen de naam al. Spreek het een aantal keer langzaam achter elkaar uit – Daai Booi Baai Daai Booi Baai Daai Booi Baai – en je voelt de stemming waarin ik verkeer.

Het is net een bounty eiland, maar dan veel mooier. De zee is van het blauwste blauw en ook nog in twee kleuren. Het begint bij het hagelwitte strand waar de helderwitte branding op botst. Daarachter strekt de zee zich uit in de tonen van lapiz lazuli en eindigt in een diep ultramarijn. De einder kust vervolgens een ceruleum-blauwe lucht die naar de hemel toe iets kobalt-achtigs krijgt. Als colorist kun je daar behoorlijk opgewonden van worden.

Er wordt hoofdzakelijk Papiamento gesproken, maar dat kan ook zijn omdat het zondag is en heel Willemstad op het strand zit. Toch is het niet druk. Je kunt er ook niet heel veel meer dan op het strand liggen en zwemmen in de zee. Eigenlijk is er – even los van de paradijselijke omgeving – maar één attractie.

Op het strand staat een hutje waar een blanke hippie met zijn lokale vriend de scepter zwaait. De hippie ziet eruit als of hij permanent op Woodstock verblijft in andere sferen, maar net even een uurtje vrij heeft genomen om ons van consumpties te voorzien. Daarin is hij opmerkelijk adequaat, wat contrasteert met zijn wel erg relaxte blik. Op de toonbank staat een grote pot voor de tip. “Help! Voor de overtocht naar Holland….next year.” Dat laatste is er met viltstift bijgezet. De pot is helemaal vol met kwartjes en staat er al een tijdje. Het lijkt er niet op dat de hip veel haast heeft om terug te keren naar Holland.

De hippie verkoopt drie gerechten: patat met, frikandel speciaal en een broodje kroket. De frikandel kan ook op brood als je dat wil. Zijn menukaart vindt gretig aftrek bij het strandminnend publiek. En zo wil het dat ik om twee uur ’s middags met mijn voeten in de Caribische Oceaan een broodje kroket sta te eten. Naast mij doet een donkere mevrouw hetzelfde, maar dan met een frikandel.

Het zal wel weer een baai uit de top 10 aller baaien zijn. Zo’n baai die in alle hipsterboeken staat beschreven. Dat je niet kunt sterven zonder deze baai gezien te hebben. Of erger, dat je ongelooflijk niet-chill bent als je wel op Curaçao bent maar niet op deze plek. Het mag zijn dat de hele wereld het al gezien heeft. Maar mooi dat ik hem heb ontdekt. Mijn eigen frikandel beach.

Curaçao

img_0074

Er waart een lijn door Curaçao. Waar die precies loopt weet ik niet, want hij is even onzichtbaar als onmiskenbaar, maar ik weet wel dat ik me er aan de goede kant van bevind. En dat is opmerkelijk.

Ik ben namelijk op een industrieterrein. Daar zijn vijf jaar geleden wonderlijke dingen gebeurd. Het begon met de omheining van een middelgroot perceel en het planten van onnoemelijk veel tropische fauna. Dat kunnen ze goed in Curaçao. Ze hebben daar ervaring met plantages. Vervolgens hebben ze er huisjes opgezet. Schattige huisjes in de kleuren van de regenboog. Met veranda. Er verrees een restaurant –Italiaans inclusief houtoven – en er werd een zwembad gegraven met een palmboom in het midden. Niet zo’n naargeestig rond geval waar kinderen krijsend in plonsen, maar een hoekig zwembad, met plateaus en uitlopend op de bar. Veel wit en natuursteen. Jan de Bouvrie – die op dit eiland behoorlijk heeft huisgehouden – zou er zijn vingers bij aflikken.

Na vijf jaar zijn die bomen gegroeid en houden het industrieterrein veilig buiten het zichtveld. Geen spoor van de raffinaderij. Er is een volière met vogels die zingen dat het een lust is. Of het zijn cassettebandjes. In ieder geval is de tropische ervaring compleet.

Ze hebben het klein gehouden. Enkele tientallen huisjes. En eigenlijk belachelijk betaalbaar voor een weekje poedelen in de Cariben. De romanticus in mij is verrukt, de Hollander in mij vindt zich spekkoper maar de bedrijfskundige denkt en rekent: hoe krijgen ze dat gefinancierd?

Het antwoord ligt in de rechter buitenhoek van het complexje, vlak achter het zwembad. Daar komen en gaan keurige dames met de tas iets te stijf onder hun arm geperst. Soms ook een meneer die quasi achteloos maar doelbewust het duistere gebouwtje binnengaat. Die langzame parade gaat dag en nacht door.

Ik denk dat casinovergunningen hier alleen worden afgegeven in combinatie met een hotel of resort. Het is een “stil” casino voor de lokale markt. Je moet weten dat het bestaat. Nergens staat het aangegeven. Geen grote neonreclames voor de deur. Geen Amerikaans klatergoud. Bewijzen kan ik het niet, maar ik vermoed dat dit hele complex is gebouwd voor dat ene gebouwtje.

Ik zit loom met mijn voeten in het zwembad. Vriendelijk knik ik naar de aardige mevrouw die langsloopt. Ze ziet me niet, maar dat geeft niet. Ik rek me nog eens behaaglijk uit. Want zeg zelf: als je gratis met je voeten in het zwembad zit en de fine fleur van Curaçao is jouw vakantie bijeen aan het gokken, dan weet je dat je aan de goede kant van de lijn zit.

Wien Neerlandsch bloed

IMG_0067

Bijna 120 jaar zongen we het uit volle borst: “Wien Neerlandsch bloed door d’aderen vloeit.” Vanaf het ontstaan van ons Koninkrijk (1815) werd het tot in de verste uithoeken van het Rijk gebrald op elke feestelijke gelegenheid, hoewel met minder enthousiasme in de koloniën. Dat had te maken met de tweede regel van het lied: “van vreemde smetten vrij.” Was toen al een dingetje. Veel Hollanders overzee konden die raszuivere toets namelijk helemaal niet doorstaan. Te lang in de kolonie, ingeburgerd, lokale vriendin (nooit andersom, mind you!) en dan blijft er van dat puur Neerlandsch bloed niet zoveel over. In Indonesië zongen ze daarom de politiek correcte versie: “wien ’t hart klopt fier en vrij.” Dat kon dan weer wel, maar een groot succes is het nooit geworden op de Nederlandsche residentie in Buitenzorg.

Ik weet niet of de machtswisseling in 1933 bij onze oosterburen er aandeel in had, maar vanaf dat jaar was het over met de pret. We gingen weer terug op het Wilhelmus. Zongen we al tijdens de revolutie en dat doen we dus nu nog steeds. Fijn Calvinistisch lied. Niks Hup Holland Hup. Het is Duits bloed en vorsten uit Spanje. En ok, ook God, want die is overal (maar bij het Wilhelmus pas in couplet twee). Het is een rampzalig lied. En met al die medailles in Rio moet ik dat bijna elke avond horen.

“Hoe verbeeld je Nederland?”, vroeg ik mij een paar weken geleden af. En omdat ik in Amersfoort aan het schilderen ben, heb ik daar een pandje bij gezocht. Ik wilde eens geen multiculti woninkje of een stadhuis met alle vlaggen van de wereld. Ik wilde terug naar het Nederland van mijn oma. Noem het nostalgie. Maar met een blik op deze tijd. Ik kwam uit bij een laat middeleeuwse gevel in Muurhuizen, een van de mooiste straatjes annex stadswal in Amersfoort. Zie daar; een wit huis, met rode luiken tegen een blauwe hemel. Prachtig symboliek van onze nationale driekleur. De toon lijkt gezet.

De façade is wel wit, maar erachter zijn de uit baksteen opgetrokken muren te ontwaren. De helwitte zijkant geeft de woning iets van vergane glorie. Dat helder licht is achter je en schijnt je na, de voorzijde staat in de schaduw. De ijzeren zwarte spijken hangen scheef aan de muur. De rode luiken hangen uit het lood en onder de strakblauwe hemel stapelen de wolken zich op. Het pand is niet vrij, maar staat ingeklemd tussen andere woningen. En voor de ramen geen begonia’s, maar een zwarte buis met sprieten, zodat de duiven er niet op kunnen zitten. Of poepen.

En toch. Het staat er al eeuwen in weer en wind, al lang voordat wij het Wilhelmus hadden bedacht. Fier heft het zijn oude kop, die ook nu de dreigende regenbuien zal trotseren. Laat maar komen. Likje verf erop en het kan weer jaren mee. En die onzinnige Wilhelmus uitbarstingen rond Rio overleeft het ook wel weer.

Op de foto

DSC01334

Suleyman komt op zijn dooie akkertje aanfietsen en besluit ter plekke stil te houden als hij me ziet. Hij gebruikt zijn fiets als klapstoel en positioneert zich achter mij. Ik knik even en schilder door. Suleyman zegt niets en blijft me nauwlettend observeren, dat wil zeggen, mijn schilderij en de achtergrond waar het op moet lijken. Na een kwartiertje vraagt hij: “Mag ik op de foto?”

Niet begrijpend kijk ik op. Op de foto met het schilderij? Maar dan valt het kwartje. Schilderij, foto, het zijn beide tweedimensionale projecties van de werkelijkheid. Suleyman wil op het schilderij. Dat heb ik eerder meegemaakt. “Natuurlijk.”

“Daar”, en hij wijst naar het bruggetje centraal in het schilderij. Suleyman weet precies waar ie wil staan. In het midden.

“Ga er maar naar toe”, zeg ik en hij fietst naar het bruggetje, zet zijn fiets neer en stelt zich op. Een hand aan de reling, andere in de broekzak, gewicht op één been, lichte knik met het hoofd en hopla: een klassieke contraposto. De man is een natuurtalent. Met drie zwarte streken leg ik de houding vast. Ik steek mijn duim omhoog en gemoedelijk loopt en fietst hij weer terug. “Wanneer is het klaar?”

Ik vertel hem dat hij aan het einde van de middag maar terug moet komen. Ik laat de figuur op de brug rusten en werk gestaag door aan de rest. Halverwege de middag zegt een passant; “mooi hoor, maar wat is die zwarte vlek in het midden?” De vlek is Suleyman natuurlijk, en ik ben hem helemaal vergeten. Hij staat verschrikkelijk zwart en pontificaal in het midden en verstoort de compositie. Er gaat een streep blauwe verf overheen en weg is Suleyman. Beter zo.

Als ik aan het einde van de middag mijn palet op wil ruimen zie ik Suleyman aan komen fietsen. Helemaal vergeten. Hij groet me zwijgzaam en kijkt naar het schilderij. Er is niets aan zijn gezicht af te lezen, maar ik zie zijn ogen over het schilderij speuren op zoek naar zichzelf. Ik verman mij. “Wat goed dat je er bent. Ik heb je nog even nodig als model. Zou je nog een keer op de brug kunnen staan?” Hij knikt – even meen ik een lichte opleving in zijn oogopslag te zien – en fietst rustig naar het bruggetje. “Nog een beetje doorlopen”, zeg ik als hij op zijn oude plek staat. Nogmaals zet ik hem erin, nu niet meer in het midden en met een beetje meer aandacht, maar niet opzichtig. Ik werk snel door en ben klaar als hij weer teruggereden is. “Wordt mooi”, zegt hij met een kennersblik. Hij blijft nog even staan en klimt dan weer op zijn fiets. Als hij wegrijdt roep ik hem na; “Hoe heet je eigenlijk?” Hij draait zijn hoofd om en schreeuwt met een toon van volstrekte vanzelfsprekendheid; “ik ben Suleyman!” Maar dat wist u natuurlijk al.

Verstand van kunst

Jaap op straat 2

“Da’s mooi meneer.”

“Nou, dank u beleefd.” Ik sta op de hoek van de Krommestraat te schilderen met het uitzicht op de Havik. In februari heb ik de eerste versie ervan opgezet, maar toen was er nog geen blad aan de bomen. Nu staat die kale boomstam midden in mijn schilderij te prikken en dat is geen porem. Ik zet ferm de kwast op het doek en blok een groot gedeelte van het schilderij af met een mengsel van zwart en geel, waardoor een diepgroen ontstaat. Zo. Dat wordt het blad aan de boom. Kind kan de was doen.

“Ik kan dat goed bezien, want ik doe zelf ook aan kunst.” Ik kijk op van mijn werk en zie een wat oudere vrouw. Met plastic tas.

“Da’s mooi mevrouw. Schildert U ook? ”

“Nou, nee. Ik borduur. Wilt U het zien? ”

“Ik zou het niet willen missen.“

De plastic zak gaat open en vol trots worden mij vijf kerstkaarten getoond. De kerstboom is erop gestickt en ook de randen zijn met rode draad geborduurd.

“U bent er vroeg bij, mevrouw.“

“Weet U, ik kan niet stilzitten. Ik ben aangereden en toen moest ik heel lang in bed liggen. Gek werd ik ervan. Toen ben ik kunst gaan doen. Het is alvast voor kerstmis. Mooi he?”

Ik voel al stiekem in mijn broekzak op zoek naar kleingeld, want ik voel de bui al hangen, maar op hetzelfde moment gaan de kerstkaarten weer terug in de plastic tas.

“Twee maanden heb ik in coma gelegen. En die jongen kreeg maar 120 uur taakstraf. En nu borduur ik dus. Omdat ik niet kan stilzitten.”

“Het is geen eerlijke wereld, mevrouw”, troost ik haar. Ze knikt bevestigend en kijkt vervolgens priemend naar mijn doek.

“Het is een mooi schilderij, meneer. Dus U kunt wel horen dat ik er verstand van heb”. En weg loopt ze.

Dooie mus

IMG_0056

“Bent U ook beroemd?” Ik moet ontkennend antwoorden en zie het jochie een lichte teleurstelling verbijten. Heb ik weer, moet hij denken, zie ik eindelijk een schilder in een weiland staan, is ie niet beroemd.

Ik sta te schilderen op een plek waar stad en land elkaar raken. Aan de rechterkant de buitenste huizenrij van de wijk Vathorst in Amersfoort, links het zich terugtrekkende polderlandschap. Je kunt er verschillende dingen in zien: een geografische strijd op leven en dood, waarbij de blokkendozen hun middelvinger opsteken naar de polder of juist een idyllische scene waarbij stad en platteland elkaar kussen in het riviertje. Zelf ben ik er nog niet helemaal uit. Ik zie wel veel blije mensen op fietsen. Dat kan van het fietsen komen, of doordat mensen in Amersfoort altijd blij kijken, maar zelf denk ik dat de beleving van de natuur zo pal langs de stad ermee te maken heeft.

Het jongetje – dat ik hier gisteren ook al tegenkwam – wil op het schilderij vereeuwigd worden. Hij had al bedacht dat als hij rechts op het sluisje staat, ik hem er dan precies in het hoekje erbij kan schilderen. Zijn vriendje wou dat onmiddellijk ook, maar die is er vandaag niet bij. “Hij moet vroeg eten, maar ik nog niet” , zegt het jongetje, in de wetenschap dat het blinde pech, zo’n vroegkokende moeder. Nu loopt hij de kans op vereeuwiging mis. Het jochie loopt met veel misbaar en gevoel voor drama naar het sluisje. Zo weet hij zeker dat ik hem zal opmerken. “Ik ben klaar hoor!” Hij blijft bewegingloos staan, want hij weet dat modellen dat doen. Dat houdt hij een minuut vol. Dan drentelt hij terug naar zijn fietsje en verdwijnt voor even.

Aan het einde van de middag is ie alweer terug. Met kennersblik schouwt hij mijn schilderij.

“Ik sta er niet op”. Het is meer een constatering dan een teleurstelling. “En het hekje moet ook nog ingetekend worden”.

“Ja”, zeg ik, “maar dat is nog een heel werk, dat gaat me vandaag niet meer lukken”.

“Dat geeft niet hoor, meneer. Kunst mag best onaf zijn”.

Hij zegt het werkelijk, als om me te troosten. Ik staar hem zwijgend aan. “Hou oud ben jij eigenlijk?”, vraag ik het joch. “Zeven jaar, meneer. En ik ga nu naar groep vier. Maar dat komt omdat ik groep 1 twee keer moest doen. “

Hoe zit dat toch in dit leven? Zeven jaar, welopgevoed, briljante visie op de kunst en gewoon zitten gebleven.

“Ik vind je een hele slimme jongen”. Wij kunstenaars moeten elkaar steunen en troosten. Hij knikt bevestigend.

“En nu ga ik naar huis. Ik ben honger. Dag meneer, tot morgen he?”

Ik was niet van plan terug te komen, maar misschien doe ik het speciaal voor hem. Om hem te vereeuwigen op het sluisje.

 

 

 

Cosimo de Grote

IMG_0050

Maak kennis met Cosimo Ridolfi, althans met zijn rug. Politicus, landbouwkundige en van onschatbare waarde voor de Toscaanse agricultuur. Een superboer. Als dank voor bewezen diensten krijgt hij in 1865 een standbeeld op het gezelligste pleintje van Florence, de Piazza Santo Spirito.

Waarschijnlijk heeft Cosimo in zijn enthousiasme iemand het gras voor de voeten weggemaaid, want men heeft hem met de rug naar het plein gesitueerd. Zo kijkt hij uit op een muur met gesloten ramen. Hij staat voor straf in de hoek en ook nog eens zonder de schaduw van een boom. Vaak zit een duif op zijn hoofd. Maar daar moet een standbeeld tegen kunnen.

Dat is jammer voor Cosimo, want het Toscaanse leven speelt zich achter zijn rug af. De fontein is het natuurlijke middelpunt van het plein. Het is een tortelfontein. Stelletjes zitten minnend op de rand. Groepen spreken er af. Japanners en Chinezen lopen klikkend achter hun camera aan of halen een stok tevoorschijn om een selfie te maken. Op de bankjes aan weerzijden zitten oude Italianen de dingen van de dag te bespreken. Hun hondjes liggen versuft op de grond of jagen de duiven op – die dan een veilig heenkomen zoeken op het hoofd van Cosimo.

En te midden van al die menselijke interactie staat onverstoord een dikke oude zwerver de fontein schoon te maken. Ik noem hem Cosimo de Grote. Hij doet dat elke dag. Ik heb hem ook wel eens betrapt bij een andere fontein, waar hij hetzelfde ritueel uitvoert (hij gaat dan vreemd, denk ik), maar deze fontein is toch zijn baken. Hij doopt een plastic zak in de waterbak en leegt deze vervolgens over het stenen omhulsel. Dat doet hij urenlang. Hij mikt behendig om de toeristen heen, maar als je een verstoorde blik opzet of nog erger een opmerking maakt, dan gaat de zak met water onverbiddelijk over je heen. Ik heb vandaag al twee Chinezen af zien druipen.

Ik heb bewondering voor Cosimo de Grote. Hij zal niet heel veel geld hebben als zwerver, maar hij ziet er gelukkig uit en kwijt zich nauwgezet van zijn zelf opgelegde taak. Met zijn handelingen lost hij een paar knellende filosofische vraagstukken op. Wat is de zin van het leven? Hoe geef je er betekenis aan? Zelf vlieg ik naar verre oorden om te schilderen en blogs te maken. Ondertussen denk ik me een ongeluk en vraag me af of het allemaal wel zin heeft. Jezus, wat een moeite allemaal. Cosimo denkt niet heel erg veel. Hij brengt een oude Griekse wijsheid in praktijk. Panta Rei. Alles stroomt. In zijn geval uit een plastic zak over de fontein. Hij draagt geen water naar de zee. Alles komt terug bij de bron. Hij heeft zijn levenswerk gevonden. En op een idyllisch pleintje in Florence is dat helemaal nog niet zo’n gekke oplossing. Het is een beter lot dan dat van de arme Cosimo Ridolfo, die voor straf in een hoekje staat. Met een duif op zijn hoofd.