De winkel van Sinkel

Het Amstelkwartier kent meer kroegen dan winkels. Dat maakt het – op het eerste gezicht – een hele hippe wijk, als je het Sociaal Planbureau mag geloven. Niks duffe Vinexlocatie, waar je over de kinderen struikelt. Of waar de uitweg naar de beschaafde wereld altijd verstopt is, omdat er maar één weggetje is aangelegd naar buiten, dat dan ook nog maar twee-baans is. IJburg en het Java-eiland kunnen daar over meepraten. Nee, bier en cappuccino schuimen welig bij ons in de buurt. Zo is er tHuis aan de Amstel, RIC, het Amstelkwartierhotel en volgende zomer ook nog twee coole chill-plaatsen bij het haventje. Hippe boel.

But not. Het is niet zo dat wij zoveel kroegen hebben, maar juist zo weinig winkels. Eigenlijk kun je maar twee dingen kopen in het Amstelkwartier: een hele dure keuken bij de Smeg-winkel of helemaal losgaan bij de plaatselijke super, waar het assortiment bestaat uit sigaretten, bier en chips. Voor de studenten op de hoek bij Mokumvilla is dat wellicht de hemel, voor mij persoonlijk is het de hel. In oktober ben ik opgehouden met roken en sinds ik drie keer per week op het yogamatje zit, is het ook gedaan met bier en chips. Is namelijk verdomde onhandig, zo’n bierbuik, als je de benen in je nek moet gooien.

Zo houdt het Amstelkwartier het midden tussen Bloemendaal en Pyongyang. Maar ‘the best of both worlds’ is het nou net niet.

Wat we nodig hebben is een winkel van Sinkel. Zo’n zaak waar echt alles te koop is in een snel uitdijende wijk. En dat is eerder gebeurd. Meneer Sinkel opende zijn winkel in 1882 op de Nieuwendijk. Je kon er alles kopen en ook nog eens – en dat was nieuw – voor een vaste prijs. De rest is geschiedenis. Weet je de slogan nog?

In de Winkel van Sinkel

Is alles te koop.

Daar kan men krijgen:

Mandjes met vijgen,

Doosjes pommade,

Flesjes orgeade,

Hoeden en petten

En damescorsetten

Drop om te snoepen

En pillen om te poepen

Ik weet niet of jullie dat echt willen, maar het lijkt me beter dan sigaretten en bier alleen. Ik zou zeggen: de winkel van Sinkel verdient een doorstart. En wel nu, in het Amstelkwartier! En met al die braakliggende grond is er vast nog wel een plekje vrij. Wie biedt?

 

Alice in Wonderland

“Zo. Dan ga ik nu het nieuwe jaar opstarten.” Vanuit volstrekte stilstand slingeren twee benen met een zwaai onder de dekens vandaan en nog geen twee seconden later staat A. kaarsrecht naast het bed. Een gloed van energie omringt haar. Het doet pijn aan mijn ogen. Ik grijp met beide handen de dekens terug en trek ze over mijn hoofd. Meestal is dat voldoende om de dag nog een paar minuten uit te stellen, maar vandaag wil het niet lukken. Ik probeer me geestelijk voor te bereiden op de yogales die mij te wachten staat. Al mijn spieren doen al bij voorbaat pijn. Ik probeer nog luier te gaan liggen. Een ochtend- en een avondmens in hetzelfde bed om acht uur ’s ochtends, het blijft een moeilijke combinatie.

Het jaar als motor. Een ding dat je opstart. Zo heb ik nog niet tegen de tijd aangekeken, maar er zit wel iets in. Waarom dat pas in de tweede week van januari moet gebeuren is me niet gelijk duidelijk, maar dan bedenk ik dat A. pas vandaag begint met werken. Het betekent dat de tijd voor haar dus een week heeft stilgestaan. Ik draai me nog even behaaglijk om. Want ik ben mijn tijd vooruit.

Een uur later zit ik toch op de fiets langs de Amstel. Rechts doemt het Waternetgebouw op. Ik rijd door. De yogales wacht niet. Om mij heen fietsen en lopen mensen met hun hoofden in hun kraag. Het is miezerig weer. Niet een tijd om op te starten. Ik zit te denken om die mensen – verscholen in hun jassen – op te tekenen als een ode aan de miezerige tijd. Dan valt mijn oog op het blauwe kunstwerk voor het waternetgebouw. Het is een wonderlijk schouwspel dat zich daar voltrekt. Ik zie een konijn op een mens en een bloem op een vaag figuur. Het is een speels gebeuren. Vrolijk. Een soort Alice in Wonderland. Daar begrijp je ook niet wat er precies gebeurt, maar er zit beweging in. Lichtheid. Waarom hebben ze dat ding toch donkerblauw geschilderd?

In ieder geval. Speelsheid. Ontdekkingstocht. Alice in Wonderland. Dat blijft een licht spektakel, zelfs in het miezerige januari. Een reden om voor op te staan. En ja, waarom niet: een goed excuus om het jaar op te gaan starten. Nu nog een ander kleurtje voor het kunstwerk.

 

Een ferm besluit

Ik heb een oliebollenbuik. Het woord bestaat echt. Oliebollenbuiken worden gecreëerd in de nasleep van kerstmis en het is de bedoeling dat ze in januari weer verdwijnen. Dat gaat niet vanzelf. Sportscholen hebben daarvoor de oliebollentraining bedacht. Ook dat woord bestaat. Echt.

Een half jaar geleden heb ik – in het kader van de tering naar de nering zetten – mijn abonnement op de sportschool opgezegd. Aan het besluit gingen jaren van twijfel, goede voornemens en lamlendige afwezigheid vooraf. Tot ik er een punt achter zette. Ik besteeg mijn fiets, racete naar de fitness en kwam hijgend bij de receptie om mijn lidmaatschap op te zeggen. Vervolgens scheurde ik weer naar huis. Ik was licht in mijn hoofd van vreugde. Het was een van de gelukkigste dagen van het jaar. Ik had een ferm besluit genomen en op ferme besluiten kom je niet terug.

Dus no way dat ik dit jaar bij de sportschool aan kan kloppen. Maar, zo denk ik opgewekt, mijn buik is niet voor één gat te vangen. Fietsen, hardlopen en andere individuele oefeningen zijn niet aan mij besteed. Indolente luiheid en gebrek aan discipline. Ik heb een goeroe nodig. Zoeken op internet. Even scrollen door de alternatieve afvalmethoden en bingo. Mijn weg leidt naar Bikram.

Bikram geeft yoga en meer specifiek de tropische variant ervan. Dat is een hartverwarmende bezigheid, want de thermometer staat altijd op 40 graden. Zo is het alsof je gezellig in India op je matje ligt, terwijl je gewoon door wind en regen naar de yogaschool op de Ceintuurbaan bent gefietst. Dat is dan ook het enige hartverwarmende. Ik heb op aanwijzing van de yogagoeroe midden in de zaal mijn matje uitgerold, zodat ik aan alle kanten kan zien hoe mijn omstanders de oefeningen doen. Kan ik afkijken als ik er niet uitkom. Als de zaal zich vult met mensen zakt de opgewektheid mij naar mijn tenen. Mijn medecursisten hebben geen van allen een oliebollenbuik. Ze hebben op oudjaar worteltaart gegeten en getoast met gemberthee. Dit zijn mensen voor wie de oliebollentraining niet bestaat. Achteloos gooien zij hun benen in de nek. Ze geven zichzelf een hand op de rug, waarbij een arm omgekeerd via de schouder naar de achterzijde verdwijnt. Zij zweten omdat het 40 graden is en staan roerloos stil. Ik zweet uit frustratie en bovenmenselijke inspanning. Ergens beneden mij is de vloer, maar ik kan er met mijn handen niet bij. Ik sta ook roerloos, dat wel, maar dat komt omdat ik niet verder kan bukken. Ik contempleer op de redenen hiervoor en kom tot twee. Mijn buik zit in de weg en mijn beenspieren zijn te kort. Dat zit in de familie, houd ik me voor. Kan ik niets aan doen.

Na anderhalf uur mag ik van de mat af. Ik douche me drie keer en stap uitgeput op de fiets. Je mag nooit terugkomen op een ferm besluit. Maar weet misschien iemand nog een leuke sportschool in het Amstelkwartier?

Hoogmoed

nedlloyd

Ze begonnen er een decennium geleden mee in Rotterdam. Daar werd altijd al veel gebouwd, maar ineens verschenen daar op een kluitje flatgebouwen, bruggen en andere architectonische obstakels van meer dan tien verdiepingen. En dat sprak zo tot de verbeelding, dat de Kop van Zuid een nieuwe naam kreeg: Manhattan aan de Maas. Hoogmoed op zijn Hollands.

Konden wij natuurlijk niet achterblijven hier in Amsterdam. Want als er moet worden opgeschept – opgestapeld in dit geval – dan kunnen wij die havenarbeiders nog wel wat leren. Dus wij ook bouwen. Eerst de Rembrandttoren, toen de Delta Lloyd en tenslotte Philips. De gloeilampenfabrikant bouwde niet zo hoog (ach, hij kwam helemaal uit Eindhoven, neem het hem kwalijk), maar wel heel trefzeker. Het groeide uit tot een bont samenraapsel van middelhoge gebouwen in een verder vlakke wijk. Mooi, indrukwekkend bij nacht, maar een Manhattan aan de Amstel werd het niet. Te klein, te ingesloten. Geen Erasmusbrug.

Afgelopen, dacht ik toen. En een aantal jaren gebeurde er ook niets. Maar toen kwamen wij. De pioniers van het Amstelkwartier. We bouwen niet zo hoog, maar wel heel kenschetsend en vooral ook veel en hard. Van de weeromstuit zijn ze bij het Amstelstation ook weer aan het timmeren geslagen. Binnen een jaar moet daar de Amsteltoren staan. Gewoon doorgaan dus. Dat getuigt van moed. Hoogmoed voor mijn part.

Ik verheug me op de dag dat de bouwkranen zijn verdwenen. Dat we kunnen zien wat er is gemaakt. En dat het goed is. Misschien geen Manhattan, maar ook geen Kop van Zuid. En lekker wel in Amsterdam.

 

 

 

Thumps up!

dsc01382

Zondag zijn er verkiezingen in Chili. Je kunt kiezen voor zowel de gemeenteraad als de burgemeester. Vooral die laatste functie geniet grote populariteit. Aan de bonte verzameling affiches te zien wil iedereen wel ‘Alcalde’ worden. Alle kandidaten hebben een foto van zichzelf laten maken en staan ‘geposterd’ langs de kant van de weg. Zo’n poster bestaat doorgaans uit drie onderdelen: natuurlijk de foto van de kandidaat (die altijd lacht), een slogan (leve de vooruitgang, leve de stad, samen voorwaarts) en een handgebaar.

Dat laatste ben ik op verkiezingsposters nog niet zo stelselmatig tegengekomen. Meestal gaat de duim omhoog, soms zie je een V-teken (lijkt me voorbarig) en een enkele keer wordt de vuist gebald. De eigenaar van de vuist (die natuurlijk communist is) kijkt als enige boos en onverzettelijk. Dat kan niet anders (lachend op de vuist gaan is niet burgemeesterwaardig) maar zo’n communist slaat wel een raar figuur. Een goede leider lacht. Zelfs in Noord Korea.

Eén kandidaat kan niet wachten op de uitkomst en heeft besloten het lot – zijn verkiezing – een handje te helpen. Als ik ’s ochtends over straat rijd in de hoofdstraat van een klein dorpje staat hij vlaggen met zijn naam op te hangen aan elk uitsteeksel dat hij kan vinden. Lantaarnpalen, hekken en zelfs een haak aan de kerk, alles dient als standaard voor zijn vlag. De hele straat is geel gekleurd. Ik weet niet wat de rest van het dorp daarvan vindt, als ze wakker worden, maar ik vind het in ieder geval een blijk van initiatief. Als ie net zo voortvarend is met beleid als met z’n vlaggen, dan wordt het nog wel wat in dit dorp. Als ie gekozen wordt natuurlijk. Ik check zijn poster langs de kant van de weg. Hij staat er lachend op met zijn duim omhoog. ‘Pedro Valenzias. Juntos Adelante! Samen vooruit!

Ik zie Pedro nog wel winnen. Een kleine ondernemer in het stadhuis. Dat binnenkort ongetwijfeld geel zal zijn geschilderd.

 

Horizon

dsc01383

Tussen Concepcion en Constitucion liggen enkele van de mooiste stranden van Chili. Het is een bergachtig gebied en je kunt er alleen komen via modderweggetjes, wat met de regenbuien van vandaag een hele uitdaging is. Je rijdt eerst door bossen en alles ruikt naar hout en eucalyptus. Aan het einde van de rit botst de oceaan tegen je aan. Die is groot. Bij oceanen stel ik me altijd iets vrouwelijks voor, met palmbomen en hangmatten en een zon die zoet ondergaat achter de horizon. Maar dit uitzicht is mannelijk. De zee is koud groenig van kleur, het landschap is ruig en bezaaid met dennenbomen en eucalyptus. De branding levert een bittere strijd met het strand, dat zwart van kleur is of soms alleen uit stenen bestaat. Alles om mij heen is immens en overweldigend en geeft mij een idee van nietigheid. Het is een overdonderende ervaring, nog versterkt door het ontbreken van een menselijke hand. Ik snap die Duitse romantici wel, die helemaal uit hun bol gingen in de Alpen en daar uber-kitsch schilderijen van maakten, zoals Caspar David Friedrich. Hoe in godsnaam kun je al dat natuurgeweld vangen in een schilderij? Ik doe een paar schetsen, maar kom uiteindelijk niet verder dan een dikke lijn als horizon. De rest doet in wezen afbreuk. Het is een vette lijn, maar geen streep door de rekening.

Over die menselijke hand: die bomen zijn niet origineel, maar aangelegd door Celulosa Arauco, het bedrijf waarvoor ik ooit in Chili heb gewerkt. Hele loofwouden zijn eerst gekapt en vervolgens vervangen door bomen die sneller groeien. Dennebos en eucalyptus. Dit alles tot groot verdriet van de Mapuche indianen, die niet alleen hun heilige bomen kwijt waren, maar vaak ook hun dorp, omdat ze ingesloten werden door de nieuwe bossen en hun land niet meer mochten verlaten. Weggaan was de enige mogelijkheid. Kijkend naar de prachtige bossen – die binnenkort weer gekapt gaan worden – bedenk ik me dat toch iemand de rekening heeft moeten betalen.

Indianenverhalen

dsc01381

Ik ben in Cholchol, een dorpje in het hart van het Chileense Indianengebied. In het talud van de hoofdstraat zitten een paar kooplui hun waar te verkopen. Berustend. Er is weinig te doen. Mensen die langslopen maken een praatje. Waarschijnlijk kennen ze elkaar sinds mensenheugenis. Het is zo’n marktje dat fungeert als café, waarbij tijdens de dagelijkse roddel terloops nog een sinaasappel of kledingstuk van eigenaar verwisselt.

Aan de rand van de markt staan vier vervallen gebouwtjes. Museo staat op het bord. Een van de hutjes blijkt nog open te zijn ook. Ik ga naar binnen en ben de enige bezoeker. In de hoek zit een Indiaanse mevrouw. Ik teken het register en dwaal door het piepkleine zaaltje. Binnen fladdert gestrest een mus tegen het raam. Buiten wacht zijn maatje. Ze vliegen de hele tijd heen en weer en lijken elkaar telkens te vinden. Maar die ramen zitten er steeds tussen.

De Mapuche-indianen kennen een roemrucht verleden. Terwijl heel Latijns-Amerika door de Spanjaarden en Portugezen onder de voet werd gelopen, hield deze stam de kolonisator op afstand. Ik weet niet of er wonderdrank aan te pas kwam, maar het laat zich lezen als het verhaal van Asterix en Obelix in Chili. Pas in 1880 werden ze door het leger verslagen. Toverdrank op. Chili verdubbelde daarmee zijn oppervlakte, maar had veel te weinig mensen om het te koloniseren. Dat verklaart de grote instroom van Duitsers en Kroaten, die wel een groot rijk hadden, maar weer geen kolonies. Ze werden door de Chileense regering uitgenodigd om het land te cultiveren en dat gebeurde met Germaanse grondigheid. Nu zitten de Indianen fruit te verkopen op het talud.

In het museum is het verleden van de Mapuche indianen aandoenlijk uitgestald. Net als wij hadden ze vroeger potten en pannen, weefgetouwen en zelfs een ijzeren strijkijzer. Alles ligt onder een dikke laag stof. Er hangen een paar vergeelde foto’s aan de muur met indianen in klederdracht, genomen in 1923 door studenten van een school uit Santiago. Mijn oog valt op een oude prent van een heroïsch strijdtafereel, waarbij de indianen gehakt maken van de Chileense troepen. Dat was in 1868 en het zou hun laatste overwinning zijn. Er is geen standbeeld van gemaakt (in de hoofdstraat staat het beeld van een Chileense generaal), maar deze verfomfaaide poster zet toch maar even de geschiedenis in een ander perspectief.

Ik loop nog een tweede rondje door de kamer, want ik vind het zielig voor de Indiaanse mevrouw om het ‘museum’ na een kwartier alweer te verlaten. Mijn laatste blik door de zaal laat ik op haar rusten en we knikken vriendelijk. Als ik de deur sluit vliegt het musje nog steeds in paniek van raam tot raam. Ik voel een kleine steek in mijn hart. Ja vogeltje, om ergens te komen moet je de deur weten te vinden.

Machtsvertoon

dsc01379

Ter voorbereiding van de tocht door het indianengebied – ruige modderwegen! – staat de auto bij de garage in het centrum van de stad. Banden en remmen checken en al die andere dingen waar ik totaal geen verstand van heb. Er tegenover bevindt zich de gevangenis. Om de paar meter staat een uitkijktoren met gewapende bewakers erop. Ze hebben kogelvrije vesten aan. Dat doet wel een aantal vragen rijzen.

Waarom bouw je een gevangenis in het centrum van de stad? En geloof me, dit is niet de eerste stad waar ik zo’n verzameling boeven vlakbij het plaza central aantref. Een centrum is voor leuke dingen, cafés, de kerk, voor shopping malls desnoods, maar toch niet voor moordenaars? Die stop je keurig in een buitenwijk. Daar is het veel beter beveiligen op veel goedkopere grond.

En dan natuurlijk de hamvraag: waarom al die wachttorens? Dit land kent een lange traditie van bewaken en beveiligen. En die gasten weten dondersgoed dat je dat veel beter – en goedkoper – met electronica kunt doen. Cameraatje erop, beetje schrikdraad en klaar is Pedro. Maar nee, een groep gewapende bavianen staat duidelijk zichtbaar om de twintig meter op wacht. Geweer in de aanslag. Zonnebril op (ook zoiets, waarom altijd die zonnebrillen?). En dat, dat is geen glimlach op zijn gezicht.

Waarom? “Because we can”, is het antwoord dat mij gegeven wordt als ik er naar vraag. Nadat ik mijn opengevallen mond weer heb gesloten en dit Obamanesque antwoord tot mij laat doordringen, besef ik de diepe waarheid ervan. Eigenlijk is die gevangenis een groot levend billboard. Het zegt met zoveel woorden: wij zorgen dat de boeven veilig opgesloten zijn, zodat jij rustig kunt gaan winkelen. En haal je geen gekke dingen in je hoofd, want hier is best nog wel een plaatsje vrij. Die geweerlopen zijn als het ware twee kanten op gericht. Ik vraag me af welke kant van de muur ze werkelijk bewaken.

En het rare is, er hangen gewoon beveiligingscamera’s. Die Chilenen zijn ook niet gek.

Façade

dsc01380

Het verder onaanzienlijke Curicó kende tot voor zes jaar geleden twee oude gebouwen; de katholieke kerk en een wit statig huis dat omgedoopt was tot cultureel centrum en waar bridge werd gespeeld. Ze stonden naast elkaar. Toen kwam de aardbeving.

De kerk was gepokt en gemazeld tegen aardschokken, nou ja, meer gepokt dan gemazeld. Verschillende eerdere bevingen hadden het schip van de kerk verwoest en feitelijk stonden alleen de façade en de buitenmuren nog overeind. Daartussen werd na de laatste beving een nieuw plafond gespannen, die ook de latere schokken goed doorstond. Het ziet er imposant uit. Hoog plafond met indirect licht dat op het Christusbeeld in het midden valt. Zo voel je de nabijheid van onze lieve Heer. Dat vindt een mevrouw naast mij ook, die zich pardoes op de grond stort in een poging de heilige genade te ontvangen. Zoiets verwacht je in de moskee van Abu Dabi, maar hier in katholiek Chili blijft het een wonderlijk tafereel. Ze zal wel van Opus Dei zijn, een machtige clan in dit land. Die gaan ver voor een beetje extra genade.

Het tweede gebouw kent een veel triestere, laat ik zeggen, mortale geschiedenis. Dat is een verhaal zonder open einde, dat niet goed afloopt. Net zoals de kerk had ook deze bridgetempel scheuren opgelopen van eerdere bevingen. Dat werd elke keer keurig gepleisterd. Maar zes jaar geleden ging het mis. Dak naar beneden, muren onderuit. Toch wist de façade zich te handhaven. Twee jaar geleden stond die nog overeind, weliswaar gestut door een hele steigerinstallatie, maar er leek hoop voor de toekomst. Zo’n façade laten ze niet voor niets staan, dacht ik toen. Maar als ik vandaag de hoek omloop naar het plaza central, zie ik wel de kerk, maar niet meer het witte gebouw. Foetsie. In plaats daarvan staat er een rechthoekige circustent. Het biedt ruimte aan een ambachtelijke markt, waar je nuttige en erbarmelijke dingen kunt kopen. Ze noemen dat met gevoel voor marketing een mercado artesanial. Rommelmarkt. Die kerk en circustent verklaren dit land in een notendop. Als het op de façade aankomt wint God het van een partijtje bridge.

Mañana

dsc01378

Het is een van de moeilijkste woorden in het Spaans: mañana . Het betekent zowel morgen, volgende week als Sint Juttemus en mijn beheersing van de taal is onvoldoende om het in de juiste context te begrijpen. Dat maakt mij in de ogen van de gemiddelde Chileen een gringo. Eigenlijk is die term voorbehouden aan Amerikanen uit het Noorden maar het is terdege ook van toepassing op mensen die de notie van de Chileense toekomst niet vatten. Op mij dus. Van mijn gezicht is dat niet af te lezen, want in bepaalde wijken in Santiago kan ik gemakkelijk voor een Chileen doorgaan. Met dank aan alle blauwogige Duitsers hier, die er in de 19e eeuw zijn komen wonen. Maar dat is weer een heel ander verhaal. Vertel ik nog wel eens. Mañana .

Ik ben net aangekomen in Chili en doorgereisd naar de farm. Mañana ga ik volgens plan naar Temuco, de lokale hoofdstad van het merengebied in Chili. Altijd al naartoe gewild. Het is een klein paradijs op aarde, gevuld met kobaltblauwe meren en besneeuwde vulkanen. Niet te verwarren met de Friese meren, die ook mooi zijn, maar weer niet paradijselijk (en vulkaanloos bovendien). Tegelijkertijd heb ik ook mañana een barbecue, wat ze in Chili een asado noemen en waarvoor ik vanmiddag houtskool moet gaan halen. De Chilenen zien geen enkele discrepantie tussen mijn reis naar Temuco en de barbecue. Allebei mañana. De asado is op de fundo (farm). Temuco ligt zo’n 500 km verderop.

Ondertussen lees ik op de veranda “De kleine Prins”. In het Spaans. Want als er één boek is om de mysteries van het Chileense tijdsbesef te doorgronden, is het dit boek van de Saint-Exupery. Ik kijk naar een adembenemende zonsondergang met de Andes in mijn rug. De kleine prins deed dat ook toen hij op aarde aankwam. En hij was bitter teleurgesteld toen hij vernam dat dit hier maar één keer per dag gebeurt. Het leven draait om omgaan met een wereld die ons niet begrijpt. En onderwijl wacht de kleine prins op zijn reisje naar Temuco.